huge flamish article – ‘Rage, rage against the dying of the light’

Dec.06, 2012

Banner

Mats Gustafsson

‘Rage, rage against the dying of the light’

Vrije improvisatie is niet weggelegd voor watjes. Dat is tenminste de indruk die je krijgt als je het recent verschenen interview op All About Jazz met Mats Gustafsson erop naleest. Weinig muzikanten belichamen de gretigheid en het avontuur van de scène zo goed als de stoere Zweed, die stilaan een status bereikt heeft dat weinigen gegund is binnen die niche; dat van de superster. Dat kwam niet helemaal uit de lucht gevallen.

Een sleuteleigenschap die nog meer opgaat voor de eeuwig jonge Gustafsson dan voor de meeste van z’n collega’s, is energie. De onverdunde goesting en onbedwingbare drang om te creëren. Dat begint bij het enthousiasme van de man. Vol vloekwoorden en uitroeptekens in schriftelijke communicatie, veruitwendigd met een ouderwetse cowboyattitude op het podium en met een lichaamstaal die zelfs beelden van vechtsportcultuur oproept. Gustafsson z’n nek zien schudden, tong zien strekken en voor- en achterover beuken op een podium, het is zowat het meest intense en lijfelijke dat je te zien kan krijgen binnen de improvisatie, want doorgaans ook nog eens vergezeld van geluid dat volledig ten dienste staat van de overrompeling.

Dat extraverte gedrag heeft hem een reputatie van geweldenaar bezorgt die hem voor sommigen iets te extreem of eendimensionaal maakt. Door het feit dat hij zich ook vaker beperkt tot de improvisatie dan bvb. zijn al even productieve collega Ken Vandermark, die zich veel verder ontwikkelde als componist, blijft de autodidact Gustafsson dan ook een figuur die veel meer speelt op instinct en gevoel. In zijn geval worden dan vaak de uitersten van expressie opgezocht, wat leidt tot extreme volumes én extreme klanken. Voor een stuk heeft dat ook te maken met een achtergrond in de punk, die nu nog voelbaar is in de rockgeoriënteerde tussenvorm van Fire! en zelfs de gespierde oerkracht van zijn bejubelde freejazztrio The Thing.

Maar er is meer dan dat: zo heeft hij ook meerdere bands die naast primitieve passie en de geluidsextremen ook verrassend evenwichtig zijn, of het ver buiten de conventionele jazz en improvisatie gaan zoeken. Met Swedish Azz (op vrijdag 7/12 aan het werk in De Singer) duikt hij in de Zweedse traditie door die op allerhande manier te deconstrueren, hij is regelmatig te horen met noisevrienden uit de Weense liga, werkt samen met Ethiopische muzikanten en zorgde voor een van de verrassingen van de voorbije zomer met The Cherry Thing, waarvoor hij een verbond aanging met de nog steeds ravissante Neneh Cherry, die nergens de indruk gaf de band te willen reduceren tot achtergrondjengelaars.

En dan zijn er nog de vele opnames en tours met het Peter Brötzmann Chicago Tentet, Sonore, Thurston Moore, The Ex, Zu en vele anderen.

Kroniek van een aangekondigde muilpeer

Gustafsson liet voor het eerst van zich horen aan het einde van de jaren tachtig, meteen al aan de zijde van percussionist Raymond Strid, met wie hij tot op de dag van vandaag nog regelmatig het podium deelt. De eerste samenwerking met Paul Lovens volgde twee jaar later, maar het scharniermoment van zijn vroege jaren zijn vermoedelijk de albums die midden jaren negentig op het Okkadisklabel uit Chicago verschenen, zoals Mouth Eating Trees and Related Activities (met Barry Guy en Paul Lovens), Parrot Fish Eye (met Jim O’Rourke, Gene Coleman en Michael Zerang) en Blow Born van FJF. Die laatste is niet enkel de eerste opgenomen release met strijdmakker Ken Vandermark, maar eentje die Gustafsson ook bekender maakte bij het Amerikaanse improvisatiepubliek. Iets later werd hij als enige mede-Europeaan ook opgenomen in het Chicago Tentet van Peter Brötzmann.

Daarna kwam alles in een stroomversnelling terecht, werd reizen van Japan naar Amerika, naar Scandinavië en terug, een gewoonte. Rond de eeuwwisseling richtte hij The Thing op, samen met bassist Ingebrigt Haker Flaten en drummer Paal Nilssen-Love, zowat de enige die Gustafsson nog overtreft als het over muzikale fitness gaat. Hoewel het startte als een veredelde Don Cherry coverband groeide het stel uit, door een hele resem releases (vaak met gasten als Joe McPhee of Otomo Yoshihide) en een onvermoeibare tourgeest, tot Gustafssons bekendste en meest geliefde working band. De samenwerking met Vandermark en Brötzmann werd intussen ook intensiever. Dit voorjaar speelden de drie nog een uitdagend concert in de Trix, in kader van de Chicago Jazz Connection.

Gustafsson is ook een van de weinige figuren uit de vrije improvisatie en freejazz die een status heeft opgebouwd binnen de rock-‘n-roll. Hij speelde o.m. op een paar (experimentele) releases van Sonic Youth en werkte met Jim O’Rourke (die zich even bij Fire! voegde). Zijn geluid, vooral op zijn geliefde bariton- en tenorsax behoort tot de meest imponerende uit de muziek en gekoppeld aan een onstuitbare geestdrift en dadendrang leidt het tot releases en performances die je herhaaldelijk gewoonweg van je sokken blazen. Zelfs in 2012, nu hij toch al op de vijftig afstevent en broekie af is, blijft hij de jonge garde moeiteloos achterover walsen.

Platen, platen en nog meer platen

Wie op de hoogte wil blijven van Gustafssons doen en laten, die beschikt best over tijd, geld en een goede internetverbinding, want de man laat z’n sporen achter op de meest uiteenlopende labels en op de zotste formaten. Hij is zelf een liefhebber van het 7”-formaat, maar is te horen op tal van cd’s, lp’s en, in het geval van de eerste Swedizh Azz-release, zelfs een 11” vinyl. De discografie is ellenlang en verspreid over talloze labels en landen. Chapeau voor wie het kan volgen. De man is zelf bovendien een echte vinylfreak, hangt voor en na de concerten doorgaans rond in de buurt van de platenstandjes en heeft op z’n website een hoekje voorzien voor het ruilen van vaak extreem obscure releases uit de (free) jazz en vrije muziek.

Zonder een claim van volledigheid te willen maken volgen hieronder nog een paar korte stukjes over enkele knappe, aparte of cruciale albums die in 2011 en 2012 verschenen en hun weg nog niet vonden naar Enola:

Tarfala Trio – Syzygy 2LP (No Business, 2011)

Opgenomen in Kc BELGIE in 2009. Zelfs met dat concert in het geheugen was het beluisteren van Syzygy een schok. Als er een bewijs moet geleverd worden dat Gustafsson meer is dan een powerblazer die constant de registers opentrekt en vooral imponeert met volume, dan is het dit wel. Met Raymond Strid en Barry Guy wentelt en draait Gustafsson rond freejazz, vrije improvisatie en klankpoëzie met een soms verbazende subtiliteit en klankkleur. De gierende en schreeuwende doodsreutels zijn van de partij, maar je krijgt net zozeer hyperintimistisch samenspel en een gegevensuitwisseling die uitmondt in een hoorspel dat tot de laatste uitstervende klanken betovert. Een prijzige release die verscheen in beperkte oplage (600 stuks), maar door de stijlvolle vormgeving, het prachtige fotoboek van fotograaf Ziga Koritnik en de extra 7”, behoort dit vermoedelijk tot de strafste releases uit de kolossale Gustafsson-discografie.

Swedish Azz – Azz Appeal LP (Not Two, 2011)

De tactiek die werd geïntroduceerd op Jazz På Svenska (2010) wordt hier verder uitgewerkt. Is de muziek soms opmerkelijk conventioneel en aanstekelijk in z’n schijnbare eenvoud, dan wordt er ook regelmatig ontspoord op manieren die je zelden te horen krijgt binnen de jazz. Swedish Azz vergrijpt zich aan de traditie (letterlijk, want de band plundert vooral oude Zweedse jazz) op manieren die vaak behoorlijk opwindend zijn. Samen met de tuba van Per-Åke Holmlander zorgt Gustafssons bariton voor een pompende drive, terwijl de ratelende drums van Erik Carlsson en de filmische vibrafoon van Kjell Nordeson voor een excentriek randje zorgen. De echte stoorzender van dienst is echter elektronicaman dieb13, die hier iets subtieler en veelzijdiger in de weer is dan op het debuut, maar regelmatig zorgt voor momenten van semi-industriele chaos, met krakend vinyl die de kloeke grooves en weldadige arrangementen van Swedish Azz volledig op z’n kop zetten. Kortom: jazz met een hoge rock-‘n-rollfactor zonder z’n onvoorspelbaarheid te verliezen.

Akita/Gustafsson/O’Rourke – One Bird Two Bird LP (Editions Mego, 2011)

Noise en elektronica zijn gaandeweg ook een belangrijkere rol gaan spelen in het werk van Gustafsson. Was dat aanvankelijk vooral als cosmetische opsmuk, dan ging het later meer centraal staan en leidde het bij o.m. The Thing en Fire! tot experimenten die de twee moeiteloos combineren. Soms helt het echter over naar onheilspellende soundscapes (zoals de release met dieb13 en Martin Siewert) of de pure noise. Op deze release met Masami Akita (Merzbow) en Jim O’Rourke leidt het tot “two blistering sides of wax full of face melting intensity”. Geen voer voor gevoelige zieltjes, want de grove middelen worden ingezet om het moorddadige getier en gegier van weerwoord te voorzien, met het te verwachten gebrom en gezeur, dat steevast uitmondt in kolkende noise en mensonterend kabaal. Heavy metal is echt voor mietjes, dat is duidelijk. One Bird Two Bird was op een mum uitverkocht, maar is wel nog verkrijgbaar in digitale vorm.

The Thing With Barry Guy – Metal! 2LP (No Business, 2011)

Gustafsson tekende met The Vilnius Implosion (2008) voor de eerste vinylrelease van het bedrijvige Litouwse No Business-label. Op Sinners, Rather Than Saints (2009) deed hij het met Barry Guy, terwijl zijn trio The Thing hier nog eens gezelschap krijgt van de virtuoze Brit. Als het trio al een reputatie kreeg voor voorspelbare potigheid, dan hebben ze er de laatste twee jaar alles aan gedaan om dat te ontkrachten. Mono beantwoordde zowat aan het gemiddelde, maar de samenwerking met Neneh Cherry en vooral deze release laten iets anders horen. The Thing is hier vrijer dan ooit, en ook een pak minder voorspelbaar, waardoor je het gevoel krijgt te luisteren naar een excentrieke, beweeglijke suite. Bassisten Ingebrigt Håker Flaten en Barry Guy gaan zich te buiten aan onconventionele technieken en geluiden, wat zich ook afstraalt op Nilssen-Love en Gustafsson. Verder verwijderd van de klassieke freejazz van hun debuutalbum zat The Thing nooit, en dat maakt van Metal! een verrassend taaie en complexe release, zelfs naar de normen van de vrije improvisatie.

Ich Bin N!ntendo & Mats Gustafsson – S/t (Va Fongool, 2012)

Een beest van 28 minuten furie en adrenaline. Het nieuwe Noorse label Va Fongool laat met z’n eerste releases meteen weten dat het menens is. Het geluid dat je tegen je kop krijgt als je het album in de cd-lade schuift is die van de gewette messen-soort, met vuil hakkende drums en overstuurde bas en gitaar. Gustafssons razende en scheurende baritonsax is even agressief als de gruizige sound die van het album een beproeving maakt. Is opener “Start First” al een duidelijke intentieverklaring, dan is het compacte “End” de genadeloze aframmeling: garagepunk, noise en hardcore impro in de mangel gezwierd. Afsluiter “Second” neemt een gezapig aanloop maar mondt ook al snel uit in een stuk tyfusherrie dat meer dan een kwartier de ideale soundtrack vormt bij fysieke en mentale gruwel. Imposant en ongezond, tegelijkertijd.

Mats Gustafsson, John Russell & Raymond Strid – Birds (dEN Records, 2012)

Opnieuw een jong label (gebaseerd in Italië) dat inzet op knap vormgegeven releases (vooral het cd’tje terug wegbergen vergt wat tijd). Het is echter niet enkel de vormgeving die voor de verrassing zorgt, want op Birds, waarop Gustafsson niet enkel te horen is op de bariton- maar ook de sopraansax, wordt ingezet op het kleine geluid, met flutterende accentjes, rinkelende percussie en zacht aangeslagen gitaarsnaren. Het is daarmee de tegenhanger van de vorige release. In opener “The Earth As The Sun And The Ravens Are Watching” wordt het fluisterniveau amper overstegen, terwijl je herhaaldelijk het gevoel krijgt te luisteren naar een verloren gewaande release van Evan Parker met Derek Bailey en Paul Lytton. Door het ongebruikelijke spel, het haast pointillistische oog voor detail en de uitzonderlijke duur van het eerste stuk (43 minuten!) is Birds taaie koek, maar tegelijkertijd ook een revelatie waarop de rietblazer oorden verkent die hij niet zo vaak liet horen sinds zijn Parrot Fish Eye. Kortom: van onschatbare waarde voor een goed begrip van de artiest.

Colin Stetson & Mats Gustafsson – Stones (Rune Grammofon, 2012)

Vers van de pers. Korte samenvatting: alles wat je ervan verwacht en meer. Wie al onder de indruk was van Stetsons bassaxgymnastiek, maar vragen had bij zijn vermogen om evenveel indruk te maken binnen vrij geïmproviseerde context, die krijgt nu lik op stuk, want Stones valt niet enkel op door het volume dat twee saxofonisten van dit kaliber kunnen maken, maar ook door de vanzelfsprekende manier waarop de twee hun instrumenten rond elkaar laten bewegen. Stones is een registratie van het eerste concert van de virtuozen en plaatst zichzelf meteen op hoog niveau. In vier stukken, samen goed voor 34 minuten, passeren de bekende circulaire ademhaling en stoombootpassages van Stetson, net als het stervende rund-gescheur van Gustafsson, maar het samengaan gebeurt inventief, intens, met verwijzingen naar New History Warfare, een robuuste kracht die rechtstreeks van het Chicago Tentet komt en jennend geharrewar. Titanenwerk, niets minder, en bovendien met een fabuleuze sound. Essentieel.

De meeste releases zijn in deze contreien verkrijgbaar via Instant Jazz. Mats Gustafsson speelt op 6/12 in het Bimhuis met Swedish Azz. De dag erna speelt de band – opnieuw met vibrafonist Jason Adasiewicz in plaats van Kjell Nordeson – in De Singer (Rijkevorsel).

Guy Peters – fotos: Archief Geert Vandepoele – 03 december 2012
The Camera Eye
Mats Gustafsson (Photo: Geert Vandepoele)
Mats Gustafsson
No Business / Not Two / Rune Grammofon / Va Fongool / dEN / Editions Mego / Instant Jazz / 2012
matsgus.com

new long interview

Oct.30, 2012

new interview. published oct 29th 2012.

SHARE THE MOMENT ———in “all about jazz”  by John Sharpe— one of the most happening jazz mag´s.

see here:

http://www.allaboutjazz.com/php/article.php?id=43068&pg=1#.UJA0Vb-XXPA


BLINDFOLD TEST IN DOWN BEAT!

May.02, 2012

a classic blindfold test is just published in DOWN BEAT…. it looks like this:

http://www.downbeat.com/digitaledition/2012/DB201206/single_page_view/122.html



swedish azz photos

Mar.03, 2010

photo: marek wajda

 

 

 

krakow5

krakow6

krakow8krakow9krakow21krakow10krakow12krakow2

krakow, ALCHEMIA  feb 27th 2010

photos: Krzysztof Penarski


ULF OLSSON TEXT ON MUSIC

Feb.13, 2010

Ulf Olsson
THE SAXOPHONE MACHINE: MATS GUSTAFSSON

”A library of sounds” – that is how Mats Gustafsson once described the knowledge and ability that the improvising musician possesses. A library made up not of written sheets of music, of notation, but of the possibilities that the body offers the musician. It is within the body that sound is stored: in the bodies of musician and instrument respectively. Improvising is, then, to actualize that library of sound.
For a long time you could speak of Mats Gustafsson as a “saxophone player”. He left his northern hometown Umeå at an early age, moved to Stockholm, locked himself up inside a soundproof wardrobe, and practiced on that instrument for a couple of years. He wanted to become a saxophone machine, a machine worker impossible to distinguish from his machine, the instrument.
But leaving the wardrobe, he started to play – silence. Playing is also knowing when not to play. To wait for the sound. To let the sound rest. I know of no other musician who can play, and play with and against, silence, like Gustafsson. And then silence becomes an expressive part of his music.
At the same time, the instrument makes demands its own. The saxophone is a machine, and the musician a worker at his machine, he is the one forced to go to work every night. Every day he has to put his mouth to the mouthpiece and breathe life into the machine.
With time, the music of Mats Gustafsson becomes physical, beautiful, repulsive, powerful: bodily, most of all. Watching him perform on stage, you realize his closeness to dance and choreography. His relation to his instrument is that of a dancer. A body in motion, moving in space. There is no given closeness between man and his machine; it must be produced anew, every day.
The saxophone machine forces the musician to a take a stand. The saxophone includes within it everyone that has played on it before: the tradition. And every time you pick up the instrument, the musician must ask him- or herself: give in to tradition, consciously or unconsciously – or try to do the impossible: invent the instrument again? Mats Gustafsson has always chosen the latter alternative.
Deeply oriented in tradition, familiar with all those who have made the instrument possible to play, Gustafsson still creates ongoing situations where the musician must initiate a new relation to the instrument. He does it very concretely: playing on the mouthpiece only. Or through playing on an instrument of his own making, the flutophone, or playing the impossible-to-play-on glide saxophone. Or stopping the sound from leaving the instrument by holding it against his thigh. Or playing in an acoustic situation where the sound is so high that the only remaining possibility is to scream through the instrument.
And through arranging situations that force the musicians to move outside their normal ways of playing. Improvisation not as playing whatever enters your mind, but playing what is made possible by the situation. Free improvisation is based on the library of sound and the saxophone machine, it has always been prepared in that configuration, and it presupposes a script, realized or not, that does not notate what the musician should be playing, but opens a space for him or her to explore. The improvising musician then has to situate the resulting music: make room for it; bring it into a material shape.
It all comes down to an attitude toward sound and the world where that sound is to be listened to, the context in which music sounds. Mats Gustafsson became a listener, the musician who is always listening for the spaces in between, the narrow gaps and openings, the possibilities. And those possibilities are often to be found in other spaces, in new constellations. Don’t ever be scared of trying: playing solo or in a group, play for or play against. That is why the musician is not only an instrumentalist; he is also an agitator. And an organizer. Mats Gustafsson belongs to the kind of musician that is constantly looking for new spaces, and if they are not to be found, he tries to create them. He sees to that the most remarkable music can be heard in small provincial towns of Sweden as well as in London or New York.
Mats Gustafsson has become an international star within improvised music. His discography is already impossible to take in; he has played with almost every name within this type of music. But throughout this career, all along the way, he has slowly and firmly been moving into a new position: the improvising musician becomes a sound artist.
The foundation is broadened. What was from the start an obsession with sounds and, most of all, with his own, has become something larger, wider. But all the time, this search is situated within something tangible, material, physical. It is not by accident that Gustafsson is one of those artists that, in re-establishing contact with the improvised music of the Sixties, also have come to engage with its avant-garde poetry, to art as a happening. There, in something happening, sound improvisation and words meet and form something new, something else.
Or, a shape of music to come.
This text was originally an oral presentation of Mats Gustafsson, broadcasted by the Swedish Radio Channel One on May 7, 2005. – Ulf Olsson is a professor of Comparative Literature at Stockholm University. He has also published extensively – but in Swedish – on improvised music, from The Grateful Dead via John Coltrane to Anthony Braxton.


FIRE! photos

Jan.10, 2010

Click the image to download a high rez image.

 

fire-1

 

 

fire-6

 

fire-3

 

 

fire1_liten2

 

Photo by Johan Bergmark

 

Photo by Johan Bergmark

Photo by Johan Bergmark

Photo by Johan Bergmark

 

 



2009 interview in french

Dec.07, 2009

http://www.lesondugrisli.com/

by guillaume belhomme

mats

Sous le nom de Sonore, Fire!, The Thing ou encore en tant que membre du London Jazz Composers Orchestra, Mats Gustafsson voit aujourd’hui paraître quatre de ses récents enregistrements. L’occasion de revenir sur son parcours, son rapport au jazz, ses besoins de  rock ou… de vinyles. Rapide, précis et électrique…

… Tous les sons sont de la musique… Tous les silences aussi… Alors, pour ce qui est de mon tout premier souvenir musical, j’évoquerais le souvenir d’un vinyle… Ca devait être un EP d’Elvis qui venait de la collection de disques de ma mère. C’était vraiment bon, mais un peu plus tard, j’ai goûté à Little Richard, le vrai roi du rock’n’roll… Ce qu’il est toujours !

Comment êtes-vous arrivé à la pratique de la musique ? Par ces disques, justement… Et aussi parce que j’avais 14/15 ans lorsque le mouvement punk a véritablement explosé en Suède…C’était plus que simple de se laisser gagner par le mouvement et de commencer à jouer dans des groupes, c’était tout naturel. A 14 ans, j’ai d’abord monté un groupe qui mêlait punk, improvisation et jazz rock : ça s’appelait Nirvana, un vrai truc de sauvage ! Et puis, un très bon club de jazz de ma ville, Umeå, programmait Steve Lacy, Per Henrik Wallin, Lokomotiv Konkret, Lars Göran Ulander et tant d’autres. Tout ça c’était la même chose pour moi : jazz, rock, punk. Tout ça c’était de la pure énergie !

Quels ont été vos premiers instruments et les musiciens qui vous motivaient le plus alors ? La flûte dès que j’ai eu 7 ans, et puis je suis passé au piano électrique mais c’était vraiment monstrueux de le transporter ici et là… Alors, après avoir assisté à un concert de Sonny Rollins en 1980, je suis passé au saxophone ténor. Quant aux musiciens, mon seul et véritable héros a toujours été Little Richard. Allez écouter les instruments à vents qui jouent derrière lui, ça aussi c’est sauvage !

Comment se sont passées vos premières années en tant que musicien à Stockholm ? Eh bien, j’avais 19 ans… La première année, je l’ai passée à m’entraîner au ténor dans mon placard à balai la nuit et à travailler à l’usine le jour. Et puis, je suis tombé sur des musiciens incroyables qui m’ont accueilli parmi eux et pris sous leurs ailes : Dror Feiler, Raymond Strid, Jörgen Adolfsson, Sten Sandell et d’autres encore… Ils constituaient alors une jolie petite scène à Stockholm…

Que vous ont-ils appris ? Enormément ! Ils m’ont apporté un soutien monstrueux ! Dror m’a beaucoup appris en matière de politique et d’idéologie autant qu’en musique. Il a été très compréhensif avec ce jeune type du Nord que j’étais alors. Ce que Raymond et Sten signifiaient pour moi était tout aussi énorme… Ils sont épatants ! Nous avons joué / improvisé ensemble régulièrement pendant des années, plusieurs fois par semaine. Nous avons beaucoup exploré ensemble, c’était une époque magnifique et très créative, propice à toutes recherches… Quant à Jörgen, il est sans doute le musicien le plus déprécié qui ait jamais existé. Son jeu d’alto est tout simplement « fanfuckintastic ».

Les musiciens américains ont aussi une importance particulière dans votre éducation musicale… Pouvez-vous me parler de ce voyage à Chicago que vous avez effectué au milieu des années 90 ? Eh bien, il s’agissait surtout pour moi d’aller y chercher des vinyles ! Mais c’était une époque de référence pour la musique créative, ils étaient tous à Chicago : Ken Vandermark, Jim O’Rourke, David Grubbs, Hamid Drake et tant d’autres. A cela, il fallait ajouter l’explosion du mouvement post-rock, la présence incroyable de la communauté du free jazz et puis la naissance de labels comme Okka Disk. Je suis très heureux d’avoir contribué à ce qui s’est passé à Chicago à cette époque. Cela signifie beaucoup pour moi, encore aujourd’hui…

Avec quels musiciens êtes-vous d’abord rentrés en contact là-bas ? Ken Vandermark, Hamid Drake, Michael Zerang, Kent Kessler, ont été les tous premiers… Et puis j’ai eu la possibilité de renouer avec Jim O’Rourke, ce qui m’a permis de collaborer avec Gastr del Sol et David Grubbs. Encore une fois, le milieu des années 90 à Chicago a été une époque formidable, tellement de choses se passaient là… Chicago est une putain de ville dans laquelle les choses se passent ! Beaucoup de super bars, de gens et de… vinyles.

Comment s’est fait votre recrutement dans le Brötzmann Chicago Tentet ? Joe McPhee et moi avons été appelés pour venir renforcer l’octette et le groupe s’est depuis consolidé autour de cette formule. C’est un groupe puissant, très rock, dans lequel on trouve des personnalités vraiment très singulières. C’est une sorte de volcan en fusion d’esprits créatifs dans lequel j’ai aussi beaucoup appris.

Vous parlez souvent de rock… Pouvez-vous évoquer ici vos relations avec Sonic Youth ou Cato Salsa Experience, par exemple ? Eh bien, ce sont des groupes qui produisent une musique terrible, et j’essaye de mettre mon grain de sel là-dedans. Il s’agit avant tout de confiance et de respect mutuel, et aussi de l’envie d’essayer des choses et de voir comment ça se passe. Ces musiciens s’intéressent tous beaucoup à la musique, à l’art, donc : en un sens, collaborer avec eux est très facile… La première fois que j’ai joué avec Jim, c’était à l’occasion d’une Company Week qu’organisa Derek Bailey en 1990… Il est tout simplement l’un des esprits les plus brillants que l’on puisse trouver dans le milieu de la creative music, voilà ce que je peux dire !

Pensez-vous appartenir à ce que l’on pourrait définir d’Internationale bruitiste qui rassemblerait des musiciens venus d’un peu partout qui mêlent jazz, noise, drone, etc. ?Peu importe comment tu appelles ça… Je n’aime pas catégoriser la musique. La musique est bonne ou ne l’est pas et s’il vous est donné de rencontrer des personnes qui font une musique tout autre que la vôtre, le résultat peut être passionnant. Mais il s’agit surtout de savoir qui est la personne avec laquelle vous jouez et non pas d’où elle vient, que ce soit géographiquement, historiquement, originellement ou musicalement. Il s’agit avant tout de qui vous êtes. Il y a de la super musique (et de la très mauvaise) partout dans le monde. Il suffit simplement de l’attraper…

The Thing fait une bonne balance entre free rock et free jazz, c’était le but de la chose ? Nous n’avons pas de but en particulier avec The Thing, si ce n’est celui de jouer une musique qui te botte le train, avec des éléments de musiques que nous aimons (ou détestons). Il s’agit surtout d’alchimie entre nous, nous jouons ce que nous jouons et nous jouons aussi qui nous sommes.

Avez-vous l’impression de jouer en ce moment la musique pour laquelle vous êtes fait ? Peut-être est-ce la musique qui joue de moi, qui sait ? Il n’y a pas de destin de cette sorte ; chacun se créé son propre destin. Tu crées ta propre musique, je crois que c’est comme ça que tout marche. Pour moi, en tout cas, c’est comme ça que ça marche.


new interview The Quiteus

Aug.03, 2009

in connection with The Thing´s gig at Field Day in London, this interview was published… touching on differnet subjects and especially Richard Wayne Penniman…

http://thequietus.com/articles/02327-field-day-preview-mats-gustafsson-of-the-thing-interviewed